|










| |

BONTJES
Bij
een lid van de N.S.V., dat nog niet gerangschikt kan worden onder de
afdeling "al enigszins bejaard en al jaren in de Shelties", werd onlangs
een mooi nestje geboren, het eerste uit veel belovende ouders. De
ontdekking, dat er één beeldig pupje bij was, dat echter een witte plek
boven op haar rug had, bracht een schok teweeg bij de eigenaar. Ze was
nogal ontdaan over haar "bontje" en kon maar moeilijk aanvaarden, dat de
pup zo gezond was als een vis en - ofschoon niet geschikt voor de show -
verder niets mankeerde.
Op de vraag waarom een witte plek op een verkeerde plaats nu zo
schokkend is, is niet gemakkelijk een duidelijk antwoord te geven. Het
is al jarenlang algemeen bekend onder Sheltiefokkers in Nederland, dat
men op moet passen met "hoog wit aan de benen", want dat de hond dan de
"witfactor" heeft. Het valt niet te ontkennen, dat onze Standaard "witte
platen op het lichaam als hoogst ongewenst" beschouwt en dat "witte
aftekeningen - behalve bij zwart & bruin - mogen voorkomen op de bles,
de kraag en de borst, de poten en de staartpunt". Showen met bontjes,
zoals ze genoemd worden, is dus niet mogelijk. Maar er zijn legio
enthousiaste Sheltiebezitters, die hun hond nooit voor een
tentoonstelling inschrijven. Waarom is de geboorte van één of meer
bontje(s) in een nest dan iets, waar men eigenlijk nooit zo erg mee voor
de dag kan komen? Zou het soms te maken hebben met het verschijnsel
"blue merle x blue merle geeft honden met onoverkomelijke gebreken"?
(Zie het artikel "Een Franse visie op de blue merle fok" in de Shelter
van juni 1994). Dat men door blue merle met blue merle te kruisen een
flink risico neemt op minstens dove of blinde hondjes, die men dan
direct na de geboorte moet laten inslapen, is een daad die bijna overal
wordt afgekeurd. Men zet immers niet moedwillig dove of blinde pups op
de wereld met alle gevolgen daarvan. Zo'n nestje wordt dan alleen
uitgeprobeerd om te weten, wat er zoal uit voort kan komen. Zie verder
het artikel.
Iedereen, die ooit iets met het fokken van Shelties heeft te maken
gehad, weet echter het verschil tussen het resultaat van een bm x
bm-kruising en het fokken met Shelties met de "witfactor". Om dit
verschil eens nader uit te diepen doken we in de "boeken":
Karen Hostetter zegt in haar "The Shetland Sheepdog Pedigree Book" over
de witjes met een gekleurd hoofd en de witfactor: "De hoeveelheid wit
die men bij de Sheltie kan vinden wordt geregeld door afzonderlijke
genen. Deze worden de kleur beperkende factoren genoemd. Ze bakenen de
grenzen af waarbinnen een vacht witte haren heeft. Let op: "Wit" is niet
een echte kleur, maar is eigenlijk het niet aanwezig zijn van een kleur
door de bij de hond aanwezige factor die de kleur bepaalt. Het gen, dat
het typische witte patroon bij een Sheltie bepaalt wordt het "Ierse
patroon-gen" genoemd. Het Ierse patroon-gen geeft de Sheltie de witte
plekken op het hoofd en de snuit mee, op de voetjes en de poten, de
staartpunt, de borst, de buik en de nek. Er spelen echter veranderlijke
factoren mee, die nog niet helemaal duidelijk zijn. Die factoren bepalen
de juiste hoeveelheid wit, de grootte en de plaats van de witte plek.
Het Ierse patroon is ook verantwoordelijk voor de "bi" bij de bicolor
(tweekleurige) Shelties. Als dat niet aanwezig was, zou de hond één
enkele kleur hebben - zwart of blue merle. Het Ierse patroon zorgt ook
voor witte plekken die meer in balans zijn dan dat andere genen van dit
soort het doen.
Als een Sheltie hoog wit op de achterpoten heeft zegt men dat hij "de
witte factor" heeft. Maar er zijn honden, die de witte factor hebben en
die geen hoog wit op de benen hebben. De witte factor wordt bepaald door
een ander gen van hetzelfde soort en is recessief aan het Ierse patroon.
De witte factor komt voor, als de hond een gen heeft voor het Ierse
patroon samen met een gen voor het "Piebald"-patroon. Dit is nog meer
bepalend voor de normale kleur. Hierdoor wordt het hoge wit op het been
veroorzaakt en ook wat meer verspreide plekken. Soms is er ook meer wit
op de staartpunt en misschien ook witte plekken die vanaf het witte
buikje hoog op het lichaam doorlopen. De bekende witte shawlkragen op
het lichaam zijn ook bij honden met de witfactor te vinden. Als men twee
honden met de witte factor samen paart, zou er een witte hond met een
gekleurd hoofd uit kunnen komen. Dan is het hoofd sable, zwart (bi of
tri) of blue merle, wat weer afhangt van de andere genen van de hond. Er
kunnen ook over het hele lichaam gekleurde vlekjes zitten. De kans op
een witte pup met een gekleurd hoofd bij een nest is 25 procent.

Men moet zich duidelijk voor ogen houden, dat de "witte Sheltie met het
gekleurde hoofd" en de witte Sheltie die afkomstig is uit een bm x
bm-paring totaal verschillend is in de genetische make-up. De twee
factoren hebben geen enkele relatie met elkaar. De witte Sheltie met een
gekleurd hoofd komt voort uit een dubbele dosis van de factor die de
witte kleur bepaalt en de witte Sheltie die uit een bm x bm-combinatie
komt is zo, omdat er door de merlegenen twee keer een verdunning is
ontstaan. De witte Sheltie met het gekleurde hoofd heeft normale ogen en
oren!" Tot zover Karen Hostetter.
"Sheltie Talk", het Amerikaanse boek van Betty Jo Mckinney en Barbara
Rieseberg, dat wel "de bijbel" voor Sheltieliefhebbers wordt genoemd,
zegt het wat korter: "Ofschoon de witjes afkomstig uit de combinatie
witte factor x witte factor vroeger in de showring werden geaccepteerd,
rekent de huidige Standaard (Amerikaans) de aanwezigheid van meer dan
vijftig procent wit de hond zwaar aan. Vóór 1952 konden deze witjes
meedoen in de showring (ook bekend als witjes met een gekleurd hoofd).
Witte Collies met een gekleurd hoofd zijn nog altijd geaccepteerd. De
witte Sheltie met het gekleurde hoofd is genetisch gezien een sable, een
zwarte of een merle hond, waarbij de witte factor verantwoordelijk is
voor het wit of de witte plekken op het lichaam. Deze honden zijn
ontstaan door de combinatie hond met witte factor x hond met witte
factor.
Als deze honden gepaard worden aan een hond die niet de witte factor
heeft, is hun nageslacht hetzelfde als dat van iedere hond met de
witfactor. Dus in weerwil van het feit, dat men ze niet kan showen, kan
een mooie witte in een fokprogramma worden gebruikt, als men tenminste
zeer goed op de hoogte is van de genetica.
Witte Shelties met gekleurde hoofden hebben genetisch gezien geen enkele
relatie met de witte pups uit de combinatie bm x bm en ze vertonen geen
defecten of brengen puppies met defecten voort. Ze worden omschreven als
Shelties, die meer dan vijftig procent wit hebben. Het hoofd heeft
altijd de normale gekleurde aftekening, de lichamen kunnen geheel wit
zijn, het lichaam kan ook gekleurd zijn met witte vlekken of wit met
gekleurde vlekken."
De vraag kan nu rijzen: Waarom sluit de Standaard afkomstig uit Good Old
England de "witjes" uit en zegt ook de Standaard in Amerika, dat meer
dan vijftig procent wit ongewenst is? In dat verband vonden we een
interessant relaas in de Sheltie Pacesetter van mei 1987 in de rubriek
Bark Back, van Carol Foster Nobel:
WAAROM GEEN WIT?
"Eén van de dingen die bij voortduur tegenstrijdig zijn in de Standaard
is het verschijnsel Shelties met te veel wit. Omdat de Collie Standaard
het showen van witjes met een gekleurd hoofd toestaat, zijn veel
Sheltiefokkers van mening, dat witte Shelties ook geshowd zouden moeten
worden. De meeste fokkers begrijpen het risico van het fokken van dubbel
merle witjes, maar ze zien geen reden om de varieteit van de witjes met
het gekleurde hoofd uit te sluiten van de ring. Ter verdediging van de
Standaard moeten we teruggaan naar de oorsprong van ons ras, het hoeden.
Er zijn altijd drie types honden geweest, die zich bezig hielden met de
zorg voor het vee: De herdershond, de drijvers en de waakhonden. Deze
honden zijn zeer verschillend in maat en kleur.
De
waakhonden zijn meestal flink groot, omdat ze gebruikt worden om de
kudde te beschermen tegen wolven. De rassen die hiervan nog steeds
bestaan zijn de Kuvasz (zie foto), de Komondor, de Pyrenese Berghond
en de Samojeed. We kunnen al direct opmerken, dat een duidelijk
karakteristiek kenmerk van deze honden is, dat ze allemaal wit van kleur
zijn. De eerste drie zijn duidelijk familie van elkaar en werden gefokt
om de schapen in Europa te bewaken. Men denkt, dat ze door hun witte
kleur kalmerend werken op de schapen. Het wit geeft de hond de
gelegenheid zijn plicht te doen zonder de kudde te storen. Sommigen van
deze honden worden feitelijk bij de schapen achtergelaten als ze jong
zijn, zodat ze opgroeien met het idee dat ze een deel van de kudde zijn.
De witte kleur is belangrijk, omdat de schapen hun bewaker voor een
ander schaap kunnen aanzien.
Omdat een herdershond de schapen angst moet inboezemen als hij de kudde
wil opdrijven, is de kleur wit echter ongewenst bij een ras dat gefokt
wordt om te drijven. Drijvers zijn verschillend van formaat, het
varieert van de kleine Welsh Corgis tot de grote Old English Sheepdogs.
Onder deze drijvers zijn rassen, waarvan de Standaard witte honden of
honden met veel wit toestaat, de Puli bijvoorbeeld en de Old English.
Maar bij de meesten worden de witjes gediskwalificeerd, ofschoon andere
kleuren veel voorkomen in deze groep: de driekleur Berner Sennenhond, de
merle Australische Herdershond en de sable Welsh Corgi.
Maar alleen als we de echte herdershonden goed beschouwen, wordt het
oordeel over de witte kleur echt duidelijk. In deze groep is alleen bij
de Collie wit toegestaan (in Amerika). De Border Collie, de Belgische
Herdershond, de Bouvier des Flandres en de Duitse Herder hebben allemaal
in de Standaard staan, dat witte honden of honden met veel wit ongewenst
zijn.
Omdat er in Engeland geen wolven waren, was er geen behoefte aan een
grote waakhond. Daarom werden de grote witte rassen hier nooit
geïmporteerd en selecteerden de herders op kleur. Dit vooroordeel
dateert al van lang geleden. Ofschoon sommige Sheltieliefhebbers dit
nogal amusant vinden, wordt algemeen aangenomen, dat een witte hond de
schapen niet kan hoeden, omdat zo'n hond gemakkelijk voor een onderdeel
van de kudde wordt aangezien. Doordat men dit dacht werd deze kleur
uitgeselecteerd bij alle rassen die voor het hoeden gebruikt worden.
Feitelijk is het zo, dat zelfs vandaag aan de dag veel toptrainers van
Border Collies een witte hond niet willen trainen.
Uw auteur heeft hierover met veel trainers van herdershonden gesprekken
gevoerd. Sommigen geven toe, dat ze het hier eigenlijk niet zo erg mee
eens zijn, maar de meesten vertellen graag verhalen over een witte hond,
die niet in staat was de schapen in beweging te krijgen. Er hebben
honden aan herding-wedstrijden deelgenomen die heel veel wit hadden,
maar ze worden als mislukkingen beschouwd. Andere trainers klagen, dat
deze honden het zelfs veel beter hadden kunnen doen, als ze niet de
handicap van hun kleur hadden gehad. Omdat de Border Collie in onze
Standaard als de voorouder van de Shetland Sheepdog wordt beschouwd, zou
men dit ras eens kunnen bestuderen om de diepere oorzaak van het
vooroordeel tegen de kleur te vinden.
De reu, die aan het begin stond van het ras was een bi black, die Old
Hemp werd genoemd. De reu werd geboren in de vroege 1890-jaren en bracht
meer dan 200 pups voort. Alle moderne Border Collies stammen van hem af.
Old Hemp daarentegen was afkomstig van de gewone Schotse Collie, een
hond die zonder twijfel meegewerkt heeft aan het ontstaan van de Sheltie
en de Collie. Deze Collie was kleiner dan de huidige Showcollie en had
minder vacht, meer stop en een breder hoofd.
In 1915 kreeg de Border Collie zijn officiële naam. Ofschoon hij nog
niet voorkwam in de gewone American Kennel Club-klassen, werden er toch
Standaards geschreven in de Verenigde Staten, Engeland en Australië.
Janet Larsen zegt in haar boek "The Versatile Border Collie", dat witte
honden nog steeds met afkeuring worden bekeken. Ofschoon zij van mening
is, dat witte honden acceptabele herdershonden zijn, worden ze door de
Standaard nog steeds gediscrimineerd. De Border Collie Club van Amerika
zegt in zijn Standaard: Overwegend witte honden komen voor, maar zijn
ongewenst, omdat schapen niet zoveel ontzag hebben voor een witte hond
als voor een zwarte, omdat ze de witte voor een ander schaap aanzien. -
De Engelse Standaard staat de meeste kleuren toe, maar stelt dat wit
niet mag overheersen.
Moderne algemeen gerespecteerde trainers van Sheepdogs hebben nog steeds
dit vooroordeel. Ofschoon de meesten vinden, dat het uiterlijk weinig te
maken heeft met het vermogen om getraind te worden, vermijden de meesten
toch de witte hond. In zijn boek "Sheepdogs at Work" geeft Tony Iley -
een gewaardeerde keurmeester en trainer van Sheepdogs - toe dat "de
kleur toch ook enige importantie heeft, zij het slechts marginaal. Men
heeft mij verteld dat schapen zich van een witte hond niet veel
aantrekken . . . Volgens de traditie wordt de zwart-witte hond als de
beste beschouwd." Hij interviewt een aantal trainers in zijn boek en
velen daarvan hebben bezwaar tegen witte honden. Hij noemt bijvoorbeeld
David McTier, eigenaar en trainer van de Internationale Kampioen 1970
van de Herdershonden, als hij zegt: "Ik ben niet zo dol op witte honden
bij wedstrijden, want zij zijn er de oorzaak van, dat de schapen gaan
rondkijken om te zien wat er achter ze gebeurt. Als het tijd is voor het
lammeren, hebben de lammetjes de neiging om weg te lopen voor een witte
hond"
Het feit, dat dit zo algemeen wordt geloofd, zelfs nu, maakt
ongetwijfeld duidelijk waarom in zoveel Standaards de witten worden
uitgesloten. Het is wel verrassend, dat de Collie Standaard witjes wel
toelaat. De reden hiervan zou kunnen liggen in de ontwikkeling van de
moderne Collie. Deze honden werden voor het eerst geshowd - zoals gezegd
wordt in het AKC Complete Dog Book - in 1860 en waren een populair ras
geworden in 1890, lang voordat de andere Herdershondenrassen waren
erkend. Toen had de Collie door fokken bijna dezelfde maat gekregen als
die van nu. En de bi- en driekleur honden, die heel gewoon waren in
1850, waren wat op de achtergrond geraakt door de toevoeging van de
sable kleur in 1867. Toen de hond eenmaal gefokt werd voor de show
ontstond er een neiging tot selectie naar de zeldzame kleuren, zoals
sable, wit en blauw. Men deed geen pogingen om de Standaard van de
Herdershonden vast te houden. Als de Showcollie zich niet zo snel
ontwikkeld had, zouden misschien de witjes nog steeds gediskwalificeerd
zijn.
Nu blijft nog de vraag, of het uitsluiten van witjes waardevol is. Een
nauwkeurig wetenschappelijk onderzoek is er nauwelijks geweest. Als een
bekwame trainer een lijn op zou bouwen van witte werkende honden, zou
dat een grote bijdrage zijn aan het uitsluiten van deze handicap. Jammer
genoeg zouden de Engelse herders misschien gelijk kunnen hebben: Men kan
eenvoudig niet eeuwen ervaring in het hoeden wegvagen. Maar men zou ook
als argument aan kunnen voeren, dat de Sheltie niet langer een ras van
actief werkende herdershonden is en zo zou dan deze uitsluiting van
witjes niet langer een geldige reden hebben. Als de eigenaar van een
Sheltie, die veel wedstrijden in het hoeden heeft gewonnen, ben ik het
er als auteur ook niet mee eens!"
OORSPRONG

Dana Yensen zegt in de Sheltie Pacesetter van september 82 o.a.: "Om de
voorgeschiedenis van witte Shetland Sheepdogs en van Shetland Sheepdogs
met de witfactor op te sporen moeten we helemaal naar het begin van het
ras teruggaan, naar de Shetland Eilanden in de tijd van de
eeuwwisseling. Een Engelse Encyclopedie voor Honden, uitgegeven in het
begin van de 20e eeuw, beschrijft de "miniatuurcollies" die op de
Shetland Eilanden werden gevonden als een ras, waarvan "de meesten
meestal geheel wit van kleur zijn". Foto's uit die tijd van goede en
winnende heel vroege Shelties zoals Wallace, (donker sable), Zesta (sable)
en Jason (zwart-wit) laten duidelijk het hoog wit op de benen zien,
hetgeen we beschouwen als de meest betrouwbare aanwijzing voor de
witfactor.
Catherine Coleman schrijft een artikel over Shelties in 1906, waarin ze
de mooiste Shelties beschreef als wit of wit met rijke gouden
aftekening. Maxwell Riddle zegt in zijn boek "The New Shetland Sheepdog",
dat de Shetland Sheepdog Club in Lerwick de eerste volledige Standaard
voor het ras vaststelde in 1910. Artikel 14 daarvan zegt: Elke kleur
except brindle (gestreept en gevlekt) is toegestaan. Artikel 15: De
Shetland Sheepdog mag bij volwassenheid niet groter zijn dan 15 inches.
Later, in 1914 werd de Engelse Shetland Sheepdog Club opgericht, die 12
inches de ideale maat noemt! Dat er dus nogal wat veranderd is, valt
beslist niet te ontkennen."
We hopen, dat iedereen die lid is van de N.S.V. hier iets uit heeft
kunnen lezen dat bijdraagt aan zijn of haar kennis van de oorsprong van
het ras. We hopen ook, dat leden die volkomen onverwacht een pupje zien
geboren worden met "te veel wit", in welke hoeveelheid dan ook, zich
niet een ongeluk schrikken. Zulke pups uit een gezonde combinatie, dus
in geen geval uit blue merle x blue merle, worden volkomen gezond
geboren en zullen evenveel kans op ziekte of een afwijking hebben als
pups, die niet te veel wit hebben.
Sheltie Shelter, december 1995 |
|