| HET LACHEN
Hoe vreemd het de meer ervaren hondeneigenaars ook moge lijken, een feit
is dat vele nieuwelingen het lachen van een hond volkomen verkeerd opvatten en daar
ten onrechte een soort dreiging in zien welke hetzij moet worden afgestraft,
hetzij het betrokken dier de reputatie van een vals mormel bezorgt. Omdat
kynologische tijdschriften aan de hondenlach vrijwel geen aandacht besteden,
en er in boeken ook weinig over gelezen kan worden, blijft de onbekendheid
voortbestaan. In feite echter is het vermogen tot lachen
ייn van de aardigste
ontdekkingen welke men aan de eigen hond kan doen. Shelties vormen een ras
waarbij het vermogen tot lachen vrij sterk ontwikkeld is, zodat het eerder
gewoon dan uitzonderlijk is.
Het vermogen bestaat echter bij heel veel rassen, en natuurlijk ook bij
rasloze honden. Ik heb zelfs eens gehoord van een royaal lachende Boxer! Het
is ook niet beperkt tot honden, maar komt ook bij andere zoogdieren voor. Ik
meen dat het bij paarden niet onbekend is, terwijl het bij apen, speciaal
bij mensapen vrij algemeen bekend is. Bij de mens heeft het vermogen tot
lachen een eigen ontwikkeling doorgemaakt omdat het menselijke verstand zich
sterk ontwikkelde. Bij demens heeft de lach zich gekoppeld aan een gevoel
voor humor, maar in aanleg was dat een lach uit blijheid welke zich kon
voordoen bij een herkenning of ontmoeting. Men kan dat nog zien bij
jonggeborenen in de wieg. Dat is of de hemel open gaat!
Nu behoeft een herkenning of een ontmoeting niet beslist een gevoel van
blijheid tot gevolg te hebben. Er kan een gevoel van angst zijn bij
opdoemend gevaar, en vrijwel alle zoogdieren hebben geleerd in hun speeltijd
als jongdieren (en/of gebaseerd op een erfgeheugen van de soort) hoe zij dan
onmiddellijk moeten reageren. Het is echter ook mogelijk dat een ontmoeting
een gevoel teweegbrengt wat tussen die beide uitersten in ligt, een reactie
van onzekerheid. Is de angst overwonnen, dan.komt bij de ontmoeting met een
sterkere of meerdere de neiging tot onderdanigheid naar voren. Bij soorten
waarbij het vermogen tot lachen aanwezig is kan zich dat uiten door een
onderdanigheidslach of een verlegenheidslachje, een gevolg van een
aarzelende blijheid of althans opgeluchtheid. Bij de mens kennen we die vorm
van lachen in alle toonaarden, bij het dier is dat natuurlijk veel simpel.
Bij de lach wordt alleen of tenminste in hoofdzaak alleen de bovenlip
omhoog getrokken, waardoor de boventanden geheel of gedeeltelijk of ook soms
het hele bovengebit ontbloot wordt. Menselijk vertaald zou men kunnen
spreken van een verschil tussen glimlachen en uitbundig lachen. Bij het
willen dreigen daarentegen zal zeker ook het ondergebit getoond worden. Bij
een hond die aanleg tot lachen heeft is het evenwel mogelijk die eigenschap
nogal sterk te ontwikkelen, en dan wordt ook de onderlip weggetrokken. Het
lachen gaat dikwijls gepaard aan het voortbrengen van (hogere) keelklanken,
uitingen van vreugde zoals het zwaaien met de staart of met de gehele
achterhand, en soms met zachte en wat hogere gorgelklanken. Het is duidelijk
dat dit allemaal uitingen van onvervalste blijheid zijn, en de mensen zullen
weinig moeite hBbben dat ook aldus te onderkennen. Het zijn uitingen welke
bij dieren voorbehouden zijn voor wat wij hun vrienden of goede bekenden
zouden kunnen noemen.
De verlegenheidslach kan meestal ook gemakkelijk door mensen worden
herkend, omdat de mens die vorm van lachen zelf ook kent. Echter alleen door
mensen die op het vermogen tot lachen bij honden opmerkzaam zijn gemaakt.
Bij alle vormen van lachen gaan de oren in
de nek (een onvermijdelijk gevolg van de werking der aangezichtsspieren),
maar de verlegenheidslach is doorgaans niet erg uitbundig zodat gewoonlijk
niet meer dan de tanden van het bovengebit ontbloot worden. En terwijl de
staart meestal tussen de benen gaat, en het achterlichaam iets zakt. De lach
in deze vorm treedt op bij onzekerheid, en bij mede-aanwezigheid van
vreemden.
De onderdanigheidslach is wat men vertaald naar menselijke begrippen een
vals lachje zou kunnen noemen. Er schuilt geen enkele dreiging in, want het
toont de bereidheid tot onderwerping, maar het wordt door de mens dikwijls
helemaal verkeerd begrepen, misschien juist omdat het meer jegens vreemden
dan jegens bekenden wordt getoond. Omdat de hond geen enkel ander signaal
van blijheid geeft, ziet de vreemde mens het dan dikwijls als valsheid
terwijl het niets anders is dan een uiting van grote onzekerheid gepaard aan
goede bedoelingen.
Ons ras bezit het vermogen tot lachen in sterke mate. Zelf vind ik deze
bekketrekkerij een van de aardigste eigenschappen van ons ras, omdat het
lachen het gevoelen van het dier ten opzichte van de mens bloot geeft. Van
de tien Shelties in mijn huis kunnen er acht lachen, al doen zij het zeker
niet allemaal in gelijke mate. Alle mensen hier thuis hebben meegewerkt om
de aanleg tot lachen tot ontwikkeling te brengen, en wij doen onze best om
onze honden voor de rest van hun leven reden tot lachen te blijven geven.
Ook een vrijwel tandeloze lach kan dierbaar zijn. Onze eigen ervaring is dat
de teefjes sneller en guller en langer lachen dan de reuen. Het komt mij
voor dat ook bij de mens er een onderscheid gemaakt kan worden tussen de
goedlachsheid van de geslachten.
Door de lach ontstaat een dieper kontakt, niet slechts tussen mensen maar
ook tussen Shelties en hun mensen. Laten we hopen dat aan geen enkele
Sheltie het lachen door de eigen mensen verleerd wordt.
Rotterdam, 6 augustus 1972
E.O. Henny. |