ALS ONGELOVIGEN IN HET SHELTIE-MEKKA
In de Sheltie Kroniek van januari 1974 vonden wij het hierna volgende
stukje. Ruim 20 jaar geleden, maar misschien daarom juist wel aardig om
die oude tijd nog eens terug te halen. De dames Rogers waren een begrip
in die tijd - nog steeds wel, maar de kennel is verleden tijd - en de
Riverhill Shelties hadden een naam. Nog altijd zijn de Riverhilltypes
hier in ons land herkenbaar, om het type en om het karakter, dat - op
zijn minst uitgedrukt - verre van saai te noemen is.
Nare
ervaringen met onze vorige hond hadden ons doen besluiten geen Canis
Familiaris meer in ons gezin toe te laten. Onze kinderen hielden we
voor, dat cavia's en hagedissen de liefste huisdieren waren. Dit
principe hielden we twaalf jaar vol en namen het mee naar ons
vacantieland van dit jaar, Engeland, waar we het echter na drie weken
moesten begraven.
De eerste tien dagen kampeerden we op het Isle of Purbeck, in het wild,
met als enige aanspraak een oude boer en zijn oerlelijke gedeeltelijk
tandenloze Schotse Collie. Boer en hond waren één en de wijze, waarop
een hond 70 grote koeien regeerde, stal eerst onze lach, daarna ons
hart. Na ons vertrek naar Cornwall bleef de herinnering aan dit dier aan
ons knagen. We liepen naar de heerlijke lieve Engelse honden uit te
kijken en het noodlot was onontkoombaar. Dinsdag 24 juli om negen uur
oppert Pa de gedachte: "Ik zou wel een Engelse pup mee naar huis willen
nemen". Gejuich van twee, nee van drie kanten, want ook mijn vrouw bleek
bezweken. Maar hoe kom je hier aan een hond? Ach, meen ik, er zijn in
Engeland zoveel hondenfokkers, dat daar het probleem niet zal liggen.
Voor we ons die dag tussen de Engelse haagjes storten, die bijna alle
wegen omzomen, verdwijn ik eerst even naar onze charmante kampbazin en
kom even later terug met een stapel Kynologenbladen en een boek over
hondenrassen. Uitzoeken maar! Met een klap belandt het pakket op de
achterbank. Het moet er zo één zijn als Tinky (de Schotse Collie) meent
de jongste. Jawel, maar iets kleiner en liefst niet zwart. De formule
wordt: slim, lief, ongeveer 40 cm schofthoogte, geen jachthond maar een
herdertype, niet zwart. Zo is er maar één en om 10 uur valt het besluit:
Een Shetland Sheepdog moet het zijn.
Als het avondeten op het vuur staat die dag wordt er gegild. We kijken
de wei naast onze tent af. Daar is een weggelopen hond gearresteerd.
Zijn vrouwtje haalt hem op, het dier lijkt op het plaatje, dat van onze
uitverkorene op het boek stond. "Is this a Sheltie?", vragen wij
geïnteresseerd. "Yes", antwoordt het verder onverstaanbare Welshe
meisje. Zo één moet het echt worden, denken we allemaal.
's Avonds brengen we boek en tijdschriften terug, een mooie aanleiding
om verder met kampbaas en -bazin te overleggen wat ons te doen staat. We
kregen het zover, dat de welbespraakte Engelsman de nodige
telefoongesprekken voerde. De secretaresse van de Shetland Sheepdog Club
werd gevraagd of er niet ergens in de buurt van onze route van Cornwall
naar Dover een nest van goede pups was, want om bijvoorbeeld via
Aberdeen te gaan was wel wat bezwaarlijk. Mrs Thatcher weet van het
bestaan van een dergelijk nest niet af, maar geeft het nummer van een
zekere Miss Rogers in Icklesham. Deze heeft goede honden, zo zij zelf
geen pup heeft, kan zij toch wel aan een adres helpen. Tien minuten
later is het raak. Miss Rogers heeft een pup van acht weken, een mooie
reu. Haar eis is dat we Vrijdag komen kijken, dan kan zij Zaterdag naar
de "Vet" voor de keuring. "Zal ik haar adres noteren", vraagt mijn
gastheer. "Doe maar", zeg ik, me half realiserend, dat dit op een
voorlopig koopcontract neerkomt. De kaarten komen op tafel. Niemand
heeft ooit van Icklesham gehoord. Het blijkt in de buurt van Hastings te
liggen, juist op onze thuisroute.
De volgende morgen bellen we Miss Rogers zelf op om een definitieve
afspraak te maken. Vrijdagmiddag 3 uur? OK. De dagen, die ons nog van
Icklesham scheiden, kruipen voorbij. Onderweg gaan we gissen. Zou Miss
Rogers één of misschien twee teefjes hebben? Als ze maar geen kennel
heeft, want dan krijgen we misschien weer een dier met een
hokkencomplex. Zou het adres Knockbridge een straat of een buitenwijk
van Icklesham zijn? Icklesham ziet er "duur" uit. Mijn vrouw duikt in
een tas en haalt er een stafkaart uit, die wij als geologisch
geïnteresseerden nodig hebben voor ons "vacantiewerk". Knockbridge staat
erop en zonder vragen rijden we er heen. Het blijkt een groot herenhuis
te zijn. Klokslag 3 uur gaat onze bel aan de deur over in vlijmscherp
gekef. "Ik hoor ze", roepen de jongens. Maar mis, na een inleidend
gesprek neemt Miss Rogers ons mee door het hek. We zijn nu zo gespannen,
dat we het leger aanstuivende Sheltiepups niet eens horen. Uitgelaten
krioelen ze om ons heen. "U wilde geen teefje?", vraagt Miss Rogers.
"Neen", en floep, alle teven verdwijnen weer achter het hek. Twee "dogs"
blijven over. "U gaat niet showen?", vraagt Miss Rogers nu. "Neen, als
ik maar een lieve, gezonde hond heb". "Dan kunt u deze ook nemen", zegt
ze, "die is gezond, maar veel voordeliger". "Wat is het verschil tussen
die twee", vragen we, terwijl we ze met onze ogen proberen te doorboren.
"De kleine is een ‘pet dog', daar heeft u een gezonde, lieve huisgenoot
aan. De andere is goed voor een tentoonstelling en om mee te fokken.
Daarom is hij veel duurder en moet u ook alle papieren aanschaffen".
Het idee, dat we ermee naar een tentoonstelling zouden moeten, zet mijn
haren overeind op een manier een Sheltie waardig. Ik probeer tijd te
winnen. "Mag ik zijn moeder zien?" (Deze vraag moet ik volgens mijn
gastheer uit Cornwall stellen). "Ik heb niet de moeder, wel de vader en
de grootmoeder" en even later stormt er een meute volwassen Shelties de
grasmat op. De twee pups juichend erop af. Wat een hond, die vader, wat
een loop, wat een vacht.
De
"pet dog" gaat nu doodop tegen de kennel zitten, de "kampioen" speelt
vurig door. Het is een mooie pup met een sierlijke witte pluim aan zijn
staartje, met felle zwarte ogen en een groot temperament. Het begint tot
me door te dringen, dat dit niet zo maar een kennel is, maar gewoon één
van de betere. Miss F.M. Rogers verschijnt ten tonele. "Ziet u er een
kampioen in", vraag ik. Ze kijkt naar hem, streelt hem met een
vertedering zoals ik nooit eerder zag. "Hij kan het worden", zegt ze,
maar haar gebaren zeggen me meer.
Vrouw en kinderen hebben inmiddels al voor "de kampioen" gekozen, maar
ik heb het nog moeilijk. Als dit werkelijk een hond voor een
tentoonstelling zou zijn, mag ik hem dan in mijn huis als een "pet dog"
opslaan en het vakmanschap van de dames Rogers naast me neerleggen? Als
het inderdaad een tentoonstellingshond wordt, moeten we die ellende er
maar voor over hebben, besluiten we.
Als Miss Rogers ons besluit hoort, krijgen wij, leken, een stuk
voorlichting, dat geweldig is. Alle fouten, die kunnen voorkomen, worden
ons enkele malen duidelijk verteld en zo worden we iets ingewijd in de
sfeer van de kennel. Miss F.M. Rogers gaat achter het hek, neemt pup
voor pup op tafel en voert ze met de hand. "Zo moet u doen, dan went u
hem aan uzelf en om opgepakt te worden".
Onze hond blijkt Routier of Riverhill te heten, zijn vader is Riverhill
Roux, zijn moeder Ripples Rich Folly.
Zaterdags krijgt het diertje zijn keuring en zijn injectie. Hij blijft
nog bij Miss Rogers, we mogen hem pas halen vlak voordat we Zondag naar
de boot afreizen. In de buurt van Icklesham slaan we de tent op. De
Zaterdag duurt eindeloos. Het miniatuurtreintje van Dungeness naar New
Romney leidt even af. In Rye diepen we een boekje over Shelties op. Er
staan foto's in van een paar Riverhills, waardoor we in het idee
gesterkt worden, dat we wel eens geboft konden hebben met onze hond. Als
de honden van de Misses Rogers zelfs in een boek staan. . . . .
Zondag is het eindelijk zo ver. Eerst wordt alles afgehandeld. We
krijgen ook zijn afstamming mee. Het blijkt, dat er rode en zwarte namen
op staan. De rode zullen de reuen wel zijn, menen we, maar bij nader
inzien is er meer rood dan zwart. Maar nu niet meer vragen, eerst de
hond! Doch dat gaat zo maar niet. Eerst nog het contactadres voor
Nederland van de English Shetland Sheepdog Club. En dan wat voer, om de
overgang naar zijn Nederlandse menu niet zo groot te maken een bandje om
hem vast te houden, zó'n borstel moet u kopen en dan de hond pas. Na de
plechtige gelofte om portretten van “Cliff” op te sturen als hij groot
is, laten we Knockbridge achter ons. Nu begrijpen we, dat wij als
ongelovigen het Mekka der Shelties betreden hebben en dat nog wel met
schoenen aan. Overbodig te zeggen, dat we inmiddels geheel bekeerd zijn.P. Stemvers
Uit de Sheltie Shelter van juni 1994 |