|
BIJ DE NEUS GENOMEN!
De
neus is een aftastorgaan, dat de binnengekomen geurprikkels omzet in
signalen die naar de hersenen worden gebracht. In de hersenen nemen we
deze signalen (geuren) dan waar. We ruiken dus eigenlijk met onze
hersenen ... Maar dat reukcentrum in de hersenen past zich snel aan. Bij
iets langere inwerking van een geur wordt deze ons niet meer bewust.
Onze neus tast deze geurmoleculen nog steeds af, maar in de hersenen
treedt een geurverzadiging (adaptatie) op en ze geven dan de geur niet
meer aan ons door.
ADAPTATIE
U merkt bij thuiskomst in de keuken bijvoorbeeld de opvallend sterke
geur van gekookte spruitjes direct op. Maar bent u enige tijd binnen,
dan ruikt u dat nauwelijks nog. Gaat u daarna naar buiten om een frisse
neus te halen, dan wordt de spruitjesgeur bij binnenkomst weer duidelijk
waargenomen.
Bij adaptatie onderscheiden we een snelle adaptatie, die puur fysiek is
op het niveau van de zenuwen die niet meer 'vuren' en een langzame
adaptatie die een geestelijke 'vermoeidheid' is. Adaptatie kan dus
(tijdelijk) prolemen in de geurwaarneming geven.
OOK BIJ HONDEN
Een dergelijke adaptatie komt ook bij honden voor. Daarom zullen honden
die naar bijvoorbeeld drugs, explosieven of bedolven personen zoeken,
alvorens tot een exacte lokalisatie van de geurbron in staat te zijn,
soms eerst kort uit de omgeving van de geur weggaan om als het ware een
frisse neus te halen. Onder erg moeilijke omstandigheden kunnen ze dat
zelfs een paar maal moeten doen.
Bij
jachthonden die met hoge neus verwaaide geur van wild vervolgen (stöberen)
zien we ook dat ze van tijd tot tijd buiten de geurbaan lopen om de
geuradaptatie op te heffen. Ook speurhonden die langere sporen vervolgen
zullen als natuurlijke reactie van tijd tot tijd hun neus buiten of
boven het directe geurveld van het spoor brengen om zo'n frisse neus te
halen. Zou men dat bestraffen dan zal dit er uiteindelijk toe leiden,
dat de hond zijn neus naar de grond brengt en 'doet alsof' hij speurt
...
FAALGEUREN
Ook faalgeuren hebben grote invloed op de geurwaarneming. Men gaf aan
studenten een opgave die zij onmogelijk tot een goed einde konden
brengen en liet hen daarbij, zonder dat ze het merkten, een ongewoon
luchtje opsnuiven. Als de proefpersoon daarna iets 'gewoons' kreeg
opgedragen, lukte dat nauwelijks nog als de geur in kwestie opnieuw werd
verspreid. Die lucht had dan door conditionering de betekenis van een
'faalgeur' gekregen.
Op dezelfde wijze kunnen ook honden problemen die ze hebben bij het
zoeken of speuren, zoals op bepaalde grondsoorten of bij sommige
spoorleggers, gaan verbinden een 'faalgeur'. Waardoor ze later dus ook
niet in staat zijn in die situatie een eenvoudige opgave goed uit te
voeren.
Tekst: Ruud Haak
Uit “Onze Hond” van juli 2006
|